Leenwoorden

Woorden die van oorsprong niet Nederlands zijn en die we toch als Nederlands beschouwen, noemen we leenwoorden.

Weet jij uit welke taal de volgende woorden komen?

1. 

einzelgänger

2. 

radler

3. 

bestseller

4. 

platonisch

5. 

hypotheeek

6. 

gourmetten

7. 

affiche

8. 

aubade

9. 

ad fundum

10. 

politiek

11. 

sciencefiction

12. 

interbellum

13. 

ragout

14. 

schlager

15. 

apocalypse

16. 

diner

17. 

acteur

18. 

cum laude

19. 

democratie

20. 

ordner

21. 

Luctor et Emergo

22. 

ober

23. 

checken

24. 

Carpe diem

25. 

debuut

Dat of wat?

Moet je dat of wat gebruiken?

1. 
A. Welk woord moet je invullen?

.... je zegt, ben je zelf.

2. 
B. Wat is de woordsoort?

.... je zegt, ben je zelf.

3. 
A. Welk woord moet je invullen?

Het meisje ....  daar loopt, heb ik al vaker gezien.

4. 
B. Wat is de woordsoort?

Het meisje ....  daar loopt, heb ik al vaker gezien.

5. 
A. Welk woord moet je invullen?


.... zeg je daar?

6. 
Wat is de woordsoort?

.... zeg je daar?

7. 
A. Welk woord moet je invullen?


Is er nog iets .... ik voor je kan doen?

8. 
Wat is de woordsoort?

Is er nog iets .... ik voor je kan doen?

9. 
A. Welk woord moet je invullen?


Het museum gaat mogelijk failliet, ....een grote strop zou zijn voor voor de gemeenschap.

10. 
Wat is de woordsoort?

Het museum gaat mogelijk failliet, ....een grote strop zou zijn voor voor de gemeenschap.

11. 
A. Welk woord moet je invullen?


Het allereerste .... ik doe als ik wakker word, is een kopje thee drinken.

12. 
Wat is de woordsoort?

Het allereerste .... ik doe als ik wakker word, is een kopje thee drinken.

13. 
A. Welk woord moet je invullen?


Het boek .... ik las viel me nogal tegen.

14. 
Wat is de woordsoort?

Het boek .... ik las viel me nogal tegen.

15. 
A. Welk woord moet je invullen?


Dit is het laatste .... ik nog doe. 

16. 
Wat is de woordsoort?

Dit is het het laatste .... ik nog doe. 

17. 
A. Welk woord moet je invullen?


Tijdens het concert zal er toch .... beter gezongen moeten worden. 

18. 
Wat is de woordsoort?


Tijdens het concert zal er toch .... beter gezongen moeten worden. 

19. 
A. Welk woord moet je invullen?


.... ik nu eet, smaakt nergens naar. 

20. 
Wat is de woordsoort?

.... ik nu eet, smaakt nergens naar. 

21. 
A. Welk woord moet je invullen?


Dit is het laatste .... ik nog doe. 

22. 
Wat is de woordsoort?

Taalproblemen

Wat is juist?

1. 

Het was een heerlijk etentje maar het kostte wel  .... .

2. 

Ik zie .... dat nog niet beter doen.

3. 

Dat puppy van vorig jaar is nu al groter .... de hond van de buren.

4. 

Herman was de enig... die er wat van durfde te zeggen.

5. 

Het aangebrad ... vlees kan je nog wel een tijdje bewaren.

6. 

Zonder aanzie... des persoon... werd het plein ontruimd.

7. 

Als leraar zijnde kan ik dit wel waarderen.

8. 

De ....jarige was heel blij met zijn booster.

9. 

CambiumNed was in 2005 nog maar een websit... .

10. 

Ons restaurant vin.... u in het centrum van het dorp.

11. 

Hij is net zo handig .... zijn vader.

12. 

Voor al .... taalfouten kunt bij dat bureau terecht.

Dialecten

1. 

A. Tot welk dialect behoort het woord? B. Wat betekent het?
peur

2. 

A. Tot welk dialect behoort het woord? B. Wat betekent het?
huulbessem

3. 

A. Tot welk dialect behoort het woord ? B. Wat betekent het?
drijfsijssie

4. 

A. Tot welk dialect behoort het woord? B. Wat betekent het?
vleeg

5. 

A. Tot welk dialect behoort het woord? B. Wat betekent het?
bolle

6. 

A. Tot welk dialect behoort het woord? B. Wat betekent het?
bledder

7. 

A. Tot welk dialect behoort het woord? B. Wat betekent het?
keuje

8. 

A. Tot welk dialect behoort het woord? B. Wat betekent het?
kuierdroad 

9. 

A. Tot welk dialect behoort het woord? B. Wat betekent het?
ons grutje

10. 

A. Tot welk dialect behoort het woord? B. Wat betekent het?
natnek 

Menno ter Braak – Uit het land van Gulbranssen

Lees het artikel en probeer de vragen te maken.

Vraag 13 is een debatopdracht. Overleg met je docent

1. 
geschiedenis
Als je weet dat de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, wanneer zal dit artikel dan geschreven zijn?

2. 
interpretatie
In de eerste regel heeft Ter Braak het over: Een van de griezeligste verhalen ...

Wat was er zo griezelig?

3. 
interpretatie
Waardoor werden de bewoners van Oslo in eerste reactie gedreven?

4. 
interpretatie
Wat is volgens Menno ter Braak de enig juiste reactie?

5. 
interpretatie
Want wat was er volgens Ter Braak werkelijk aan de hand?

6. 
interpretatie
Hoe zou je de Skandinavische mentaliteit schetsen?

7. 
interpretatie
Het weten in Skandinavië is nog niet de helft van hun vertrouwen (halverwege deel 4).

Wat heeft dat voor een gevolgen voor het handelen van de Skandinaviër? (meer antwoorden mogelijk)

8. 
interpretatie
Hoe denkt Ter Braak over de Nederlandse lezer?

9. 
woordenschat
Wat is de betekenis van:

savoureren

10. 
versleer
Rijm

De kater komt later.
Welke twee vormen van rijm zijn hier te herkennen?
Zie ook rijm

11. 
interpretatie
Wat wil hij aan het eind van het artikel met het volgende rijm zeggen?

De kater komt later.

12. 
interpretatie
Wat bedoelt hij met de laatste zin?

En het gekrijs van de kater is dikwijls de bazuin van het werkelijke leven.

13. 
debat

Debatopdracht
In deel 3 heeft Ter Braak het over ‘het beroemde boek van Ortega y Gasset. Hij doelt dan op het boek La Rebelión de las masas. Het werd in 1932 in het Engels vertaald als The Revolt Of The Masses. In 2015 komt er van Diederik Boomsma een vertaling uit: De opstand van de massamens.

Ortega is in dit boek kritisch over de massamens. Die definieert hij als iemand die zichzelf ziet als gelijk aan ieder ander. Ortega betwijfelt of de massamens in staat is om eigen baas te zijn. Door het ontbreken van idealen zou de señorito satisfecho zich als een zelfvoldaan kind gedragen ten aanzien van de beschaving. Gebrek aan bescheidenheid, zelfkritiek en aan respect voor autoriteit geeft de massamens het gevoel van macht en zucht tot heersen. Dit zou ten koste gaan van de elite. Ook in Nederland wordt het gedrag  van de mensen vergeleken met de massamens bij Ortega.

Wat vinden jullie van de het gedrag van de Nederlander in deze tijd. Zijn wij te passief en moeten we beter voor onze vrijheden opkomen of moet de regering beter handhaven?

Uitdrukkingen over varkens en zwijnen

Wat betekenen de spreekwoorden en uitdrukkingen?

1. 

Dat slaat als een tang op een varken.

2. 

Biggen worden ook zwijnen. 

3. 

Zo dom als het achtereind van een varken 

4. 

't Varken is op een oor na gevild. 

5. 

Paarlen voor de zwijnen gooien.

6. 

Zij gaan als zwijnen aan de bak.

7. 

Een varken heeft wel een krul in zijn staart. 

8. 

Eten als een varken

9. 

Als 't varken zat is, gooit het de bak om. 

10. 

Tussen zwijn en big zijn

11. 

De een scheert schapen, de ander varkens.

12. 

We zullen het varkentje wel even wassen. 

13. 

Hij zwijnde bij die bal. 

14. 

Schreeuwen als een mager speenvarken

15. 

't Varken is op een oor na gevild. 

varkens en zwijnen

Wat betekenen de spreekwoorden en uitdrukkingen?

1. 

Als 't varken zat is, gooit het de bak om. 

2. 

Schreeuwen als een mager speenvarken

3. 

Veel varkens maken de spoeling dun.

4. 

Biggen worden ook zwijnen. 

5. 

Hij zwijnde bij die bal. 

6. 

We zullen het varkentje wel even wassen. 

7. 

Eten als een varken

8. 

Zij gaan als zwijnen aan de bak.

9. 

De een scheert schapen, de ander varkens.

10. 

Zo dom als het achtereind van een varken 

11. 

Een varken heeft wel een krul in zijn staart. 

12. 

Tussen zwijn en big zijn

13. 

't Varken is op een oor na gevild. 

14. 

Paarlen voor de zwijnen

15. 

Dat slaat als een tang op een varken.

Vaste voorzetsels bij werkwoorden

Welk voorzetsel moet hier ingevuld woorden?

1. 

Hij heeft een hekel ..... huiswerk maken.

2. 

Zal hij nog meedoen ..... de Olympische Spelen?

3. 

Het is heel makkelijk om daar kritiek ..... te hebben.

4. 

Ik moet altijd lachen ..... zijn opmerkingen.

5. 

Ik moet dat geld nog overmaken .....zijn rekening.

6. 

Kan jij je wel goed concentreren ..... je werk?

7. 

Luister jij nog veel ..... de radio?

8. 

Ga jij je nog inschrijven ..... die nieuwe cursus?

9. 

Waar ben jij bang ..... ?

10. 

Je moet je schamen ..... die opmerking.

11. 

Ik ben benieuwd hoe zij reageert ..... de nieuwe voorstellen.

12. 

Tijdens de lockdown houdt niet iedereen zich ..... de regels.

13. 

Wil jij wel kennismaken ..... je schoonouders?

14. 

Ik moet haar nog feliciteren ..... haar verjaardag.

15. 

Hij schijnt daar nogal wat invloed ..... te hebben.

Na of naar ?

Voorzetsels

Welk voorzetsel moet er worden ingevuld?

1. 

Mijn vader zit te luisteren ..... een podcast van de Taalstaat.

2. 

Oma die besmet is met het virus maakt het ..... omstandigheden goed.

3. 

.....  20.00 uur mag je deze passage niet meer gebruiken.

4. 

We gaan ..... de voorstelling nog een patatje eten.

5. 

Wij komen wel ...... jullie.

6. 

...... aanleiding van de bedreigingen van de minister zijn er maatregelen genomen.

7. 

Mijn zus is ..... moeder Boukje genoemd.

8. 

De minister kwam ..... de staatssecretaris binnen.

9. 

..... schooltijd blijven we altijd nog even hangen op het schoolplein.

10. 

Dit mag ..... de letter van de wet.

11. 

Iedereen verlangt ..... het einde van de pandemie.

12. 

..... verloop van tijd zal duidelijk worden wat dit betekent.

13. 

..... een lang contract is hij nu tranfervrij.

14. 

Hij was niet bereid om nog langer ..... zijn pijpen te dansen.

15. 

De bouw van het huis heeft ..... mijn idee wel een eeuw geduurd.

16. 

Heb je het ..... je zin op je nieuwe school?

17. 

Dit gaat me ..... aan het hart.

18. 

Ik ben ..... werktijd niet meer telefonisch bereikbaar.

19. 

Het zal ..... alle waarschijnlijkheid wel meevallen.

20. 

Het ruikt in de keuken ..... uiensoep.

Marsman – Heerser

Heerser is een voorbeeld van een expressionistisch gedicht.

Lees het gedicht of bekijk de animatie.

Heerser

Hij schreed
en ruimte was hem soepel kleed
aan 't koele lijf.

de gladde luchten spatten uit elkander
en rode sterren walmden àl hun wonder
in wankelenden nacht.

hij schreed
en ruimte brak aan zijn metalen tred
en lucht verkromp voor zijn doorzengden zucht.

leven was enkle vlokken violette geur.

hij at
en aarde trok haar gillende spiralen
door schrompelenden nacht:
hij had geproefd.

hij stond
atoom en kosmos beide,
en heersend was in ertsen greep
over den werveldans der elementen
d'ivoren glimlach van den stille knaap.

1. 

Welk aspect heeft de maker van de animatie vooral willen verduidelijken?

2. 

Welke woorden benadrukken het kosmische?

3. 

Welke woorden in het gedicht benadrukken het vitalistische?

4. 

Wat benadrukken de woorden: rode sterren walmden àl hun wonder (r.5)?

5. 

Wat benadrukken de woorden: d'ivoren glimlach van den stille knaap (r. 19)?

6. 

Is dit vooral een kosmisch of vitalistisch gedicht?

7. 

Welke woorden in het gedicht benadrukken het vitalistische?