Voorzetsels

Voorzetsels  staan aan het begin van een zinsdeel met een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord: Zij praten over de situatie in Europa. 
Als zowel voor als na een zelfstandig naamwoord een voorzetsel staat, spreek je van een voorzetselverbinding: in aanraking met, ter beschikking van.

Welke voorzetsels moeten er ingevuld worden? (Hou de volgorde van de zin aan.)

1. 
... het oog ... onze vakantie sloten we een verzekering af.
2. 
Hij zat ... de handen ... het haar.
3. 
De bijeenkomst vond plaats ... aanwezigheid ... prinses Amalia.
4. 
... medeweten ... zijn zus leende hij de laptop.
5. 
... behulp ... archeologisch onderzoek heeft men een ongeschonden tempel uit de Romeinse tijd gevonden.
6. 
... aansluiting ... het concert was er een after party.
7. 
... grond ... een artikel in de APV werd de bijeenkomst verboden.
8. 
... opzichte ...de vorige ontmoeting  was het dit keer veel gezelliger.
9. 
... basis ... de verstrekte gegevens werd hij toegelaten
10. 
Niets ...nadele ... Nederlands, maar Engels is een veel invloedrijkere taal.