Dat of wat?

 

Moet je dat of wat gebruiken?

1. 
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Het allereerste .... ik doe als ik wakker word, is een kopje thee drinken.
2. 
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Het boek .... ik las viel me nogal tegen.
3. 
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Het meisje ....  daar loopt, heb ik al vaker gezien.
4. 
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Dit is het het laatste .... ik nog doe. 
5. 
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

.... ik nu eet, smaakt nergens naar. 
6. 
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?


.... je zegt, ben je zelf.



7. 
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

.... zeg je daar?
8. 
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Tijdens het concert zal er toch .... beter gezongen moeten worden. 
9. 
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Is er nog iets .... ik voor je kan doen?
10. 
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Het museum gaat mogelijk failliet, ....een grote strop zou zijn voor voor de gemeenschap.