G. A. Bredero – Boerengezelschap

⬆ Afbeeldingen van ganstrekken

Regel 4 – 5: ‘ouwe Frans die gaf zijn gans die worde of ereên.’
Zes mannen trekken naar Vinkeveen waar een oude boer Frans een gans heeft gegeven voor het ganstrekken. Te paard of in een kar/boot werd onder de gans doorgereden/gevaren om de kop er af te rukken.

Zie Wikipedia en Histoforum

 

Stemme: ‘t Waren twee gebroeders stout

Arend Pieter Gijsen, mit Mieuwes, Jaap en Leen,
en Klaassie, en Kloentje, die trokken t’samen heen,

naar ‘t darp van Vinkeveen,
wangt ouwe Frangs, die gaf z’n gangs,
die worde of ereên.

Arend Pieter Gijsen die was zo rein in ‘t bruin,
z’n ‘oed met bloemfluwiel die zat hem vrij wat kuin,
wat skeefjes en wat skuin,
zodat ze bloot, ternauwernood
stongd hallif op z’n kruin.

Maar Mieuwes, en Leentje, en Japie, Klaas en Kloen
die waren ‘eklied nog op het ouwd fitsoen:
in ‘t rood, in ‘t wit, in ‘t groen,
in ‘t grijs, in ‘t grauw, in ‘t paars, in ‘t blauw,
gelijk de ‘uislui doen.

As nou dit vollikje te Vinkeveen ankwam,
daar vongden ze Keesje, en Teunis, en Jan Skram,
en Dirk van Diemerdam,
mit Sijmen Sloot, en Jan de Dood,
mit Thijs, en Barend Bam.

De meissies van de Vecht, en van de Vinkebuurt
die ‘adden heur tuigje te wongderlijk ‘eskuurd,
o, ze waren zo ‘eguurd,
maar, denkt iens: Fie, had lange Sie
‘eur ongerriem ‘ehuurd!

Zij gingen in ‘t selschip: daar worde zo ‘es krangst,
‘edronken, ‘ezongen, ‘edreumeld en ‘edangst,
‘edobbeld en ‘ekangst.
Men riep om wijn, het most zo zijn,
elk boerman was ‘n langst.

Maar Mieuwes en Trijntje, die zoete slechte slooi,
die liepen met malkander uit ‘t ‘uis in ‘t hooi,
met zulk ‘eflikkeflooi,
en zulk ‘ewroet, och ‘t was zo zoet,
mij docht, het was zo mooi!

Aalwerige Arend, die trok het ierste mes,
teuge Piete Krankhoofd, en Korzelige Kes,
maar Brangd van Kalenes,
die nam een greep, hij kreeg een keep,
mit nog een boer vijf zes.

De meissies die liepen, en lieten dat geskil,
kangen noch kandelaars, noch niet en stong er stil,
maar Kloens die stak, en hil
zo dapper uit, dat een veenpuit
daar dood ter aarde vil.

Sijmen nam de rooster, de beuzem en de tang
en wurrep ze Ebbert, en Krelus veur de wang,
het goedje ging z’n gang,
hetzij deur ‘t glas, of waar ‘t dan was,
mijn blijven was niet lang.

Gij heren, gij burgers, vroom en welgemoed,
mijdt der boeren feesten, zij zijn zelden zo zoet
of ‘t kost iemand zijn bloed.
En drinkt met mijn een roemer wijn,
dat is jou wel zo goed.

Zie ook de tekst van het Groot lied-boeck volgens dbnl

  • Beluister en/of lees het gedicht en probeer de vragen te beantwoorden.
1. 

Wat is het rijmschema van de eerste 5 regels?
Vul in en gebruik hoofletters A en B.

2. 
Genre

Met wat voor werk hebben wie hier te maken?

3. 
Literaire stroming

Wat is de literaire stroming waar we het gedicht toe moeten rekenen?

4. 
Tegenstellingen 1

Welke tegenstelling speelt in dit gedicht de belangrijkste rol?

5. 
Tegenstellingen 2

Bredero maakt gebruik van de wij – zij tegenstelling.
Aan welke kant staat Brederode?

6. 
De moraal

Raadt Brederode de Amsterdammers aan om aan dit soort kermisvermaak deel te nemen?

7. 
 Het kan verkeeren

Steeds terugkerende uitdrukking in het werk van Bredero is: "Het kan verkeeren"
Wat wil hij daar mee zeggen?


Debatopdracht

In vraag 4 gaat het over de tegenstelling stad <=> platteland.

      • In zeventiende eeuw bestond er een kloof tussen stad en platteland. Is die er nu nog?
      • Waar denk je aan als het over leven op het platteland/in de stad gaat? 
      • Waar woon jij het liefst en heb je wat tegen de ander?

Bekijk ook het filmpje hieronder.

Twee moderne versies