betekenis leenwoorden

Woorden die van oorsprong niet Nederlands zijn en die we toch als Nederlands beschouwen, noemen we leenwoorden.

Welk woord wordt bedoeld? Kies uit (kopieer => plak):
democratie, politiek, platonisch, apocalyps, hypotheek, interbellum, ad fundum

 

1
Studententerm letterlijk: tot op de bodem (= In een teug leegdrinken)

Leenwoorden

Woorden die van oorsprong niet Nederlands zijn en die we toch als Nederlands beschouwen, noemen we leenwoorden.

Weet jij uit welke taal de volgende woorden komen?

1
hypotheeek
2
democratie
3
ad fundum
4
platonisch
5
Carpe diem
6
apocalypse
7
politiek
8
interbellum

Dat of wat?

 

Moet je dat of wat gebruiken?

1
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Het meisje ....  daar loopt, heb ik al vaker gezien.
2
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?


.... je zegt, ben je zelf.



3
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Dit is het het laatste .... ik nog doe. 
4
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Het boek .... ik las viel me nogal tegen.
5
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Tijdens het concert zal er toch .... beter gezongen moeten worden. 
6
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Het museum gaat mogelijk failliet, ....een grote strop zou zijn voor voor de gemeenschap.


7
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

.... ik nu eet, smaakt nergens naar. 
8
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Is er nog iets .... ik voor je kan doen?
9
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

.... zeg je daar?
10
A. Welk woord moet je invullen? B. Wat is de woordsoort?

Het allereerste .... ik doe als ik wakker word, is een kopje thee drinken.

Taalproblemen

Wat is juist?

1
Ons restaurant vin.... u in het centrum van het dorp.
2
CambiumNed was in 2005 nog maar een websit... .
3
Hoe moet de zin verbeterd worden?
Als leraar zijnde kan ik dit wel waarderen.
4
Herman was de enig... die er wat van durfde te zeggen.
5
Ik zie .... dat nog niet beter doen.
6
Het aangebrad ... vlees kan je nog wel een tijdje bewaren.
7

Zonder aanzie... des persoon... werd het plein ontruimd.

8
Voor al .... taalfouten kunt bij dat bureau terecht.
9
Hij is net zo handig .... zijn vader.
10
Dat puppy van vorig jaar is nu al groter .... de hond van de buren.
11
De ....jarige was heel blij met zijn booster.
12
Het was een heerlijk etentje maar het kostte wel  .... .

Dialecten

1
A. Tot dialect behoort het woord B. Wat betekent het?
peur
2
A. Tot welk dialect behoort het woord B. Wat betekent het?
natnek 
3
A. Tot welk dialect behoort het woord B. Wat betekent het?
drijfsijssie
4
A. Tot dialect behoort het woord B. Wat betekent het?
bolle
5
A. Tot dialect behoort het woord B. Wat betekent het?
huulbessem
6
A. Tot dialect behoort het woord B. Wat betekent het?
kuierdroad 
7
A. Tot welk dialect behoort het woord B. Wat betekent het?
keuje
8
A. Tot dialect behoort het woord B. Wat betekent het?
vleeg
9
A. Tot dialect behoort het woord B. Wat betekent het?
bledder
10
A. Tot dialect behoort het woord B. Wat betekent het?
ons grutje

Menno ter Braak – Uit het land van Gulbranssen

Lees het artikel en probeer de vragen te maken.

Vraag 13 is een debatopdracht. Overleg met je docent

1
[geschiedenis]
Als je weet dat de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, wanneer zal dit artikel dan geschreven zijn?
2
[interpretatie]
In de eerste regel heeft Ter Braak het over: Een van de griezeligste verhalen ...
Wat was er zo griezelig?
3
[interpretatie]
Waardoor werden de bewoners van Oslo in eerste reactie gedreven?
4
[interpretatie]
Wat is volgens Menno ter Braak de enig juiste reactie?
5
[interpretatie]
Want wat was er volgens Ter Braak werkelijk aan de hand?
6
[interpretatie]
Hoe zou je de Skandinavische mentaliteit schetsen?
7
[interpretatie]
Het weten in Skandinavië is nog niet de helft van hun vertrouwen (halverwege deel 4).
Wat heeft dat voor een gevolgen voor het handelen van de Skandinaviër? (meer antwoorden mogelijk)
8
[interpretatie]
Hoe denkt Ter Braak over de Nederlandse lezer?
9
[woordenschat]
Wat is de betekenis van:
savoureren
10
[versleer]
Rijm
De kater komt later.
Welke twee vormen van rijm zijn hier te herkennen?
Zie ook rijm
11
[interpretatie]
Wat wil hij aan het eind van het artikel met het volgende rijm zeggen?
De kater komt later.
12
[interpretatie]
Wat bedoelt hij met de laatste zin?
En het gekrijs van de kater is dikwijls de bazuin van het werkelijke leven.
13
[debat]

Debatopdracht
In deel 3 heeft Ter Braak het over ‘het beroemde boek van Ortega y Gasset’. Hij doelt dan op het boek La Rebelión de las masas. Het werd in 1932 in het Engels vertaald als The Revolt Of The Masses. In 2015 komt er van Diederik Boomsma een vertaling uit: De opstand van de massamens.

Ortega is in dit boek kritisch over de massamens. Die definieert hij als iemand die zichzelf ziet als gelijk aan ieder ander. Ortega betwijfelt of de massamens in staat is om eigen baas te zijn. Door het ontbreken van idealen zou de señorito satisfecho zich als een zelfvoldaan kind gedragen ten aanzien van de beschaving. Gebrek aan bescheidenheid, zelfkritiek en aan respect voor autoriteit geeft de massamens het gevoel van macht en zucht tot heersen. Dit zou ten koste gaan van de elite. Ook in Nederland wordt het gedrag tijdens de pandemie van de mensen vergeleken met de massamens bij Ortega.

Wat vinden jullie van de het gedrag van de Nederlander als het gaat om de pandemie. Zijn wij te passief en moeten we beter voor onze vrijheden opkomen of moet de regering beter handhaven?

Menno ter Braak – UIt het land van Gulbranssen4

Lees het artikel en probeer de vragen te maken.

Vraag om een klassikale bespreking en/of debat.

1
Als je weet dat de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, wanneer zal dit artikel dan geschreven zijn?
2
In de eerste regel heeft Ter Braak het over: Een van de griezeligste verhalen ..
Wat was er zo griezelig?
3
Waardoor werden de bewoners van Oslo in eerste reactie gedreven?
4
Wat is volgens Menno ter Braak de enig juiste reactie?
5
Want wat was er volgens Ter Braak in werkelijk aan de hand?
6
Hoe zou je de Skandinavische mentaliteit schetsen?
7
Het weten in Skandinavië is nog niet de helft van hun vertrouwen (halverwege alinea 4).
Wat heeft dat voor een gevolgen voor het handelen van de Skandinaviër? (meer antwoorden mogelijk)
8
Hoe denkt Ter Braak over de Nederlandse lezer?
9
Wat is de betekenis van:
savoureren
10
Rijm
De kater komt later.
Welke twee vormen van rijm zijn hier te herkennen?
Zie ook rijm
11
Wat wil hij aan het eind van het artikel zeggen met het volgende rijm zeggen?
De kater komt later.
12
Wat bedoelt hij met de laatste zin?
En het gekrijs van de kater is dikwijls de bazuin van het werkelijke leven.

Uitdrukkingen over varkens en zwijnen

Wat betekenen de spreekwoorden en uitdrukkingen?

1
De een scheert schapen, de ander varkens.
2
Schreeuwen als een mager speenvarken
3
't Varken is op een oor na gevild. 
4
Hij zwijnde bij die bal. 
5
Een varken heeft wel een krul in zijn staart. 
6
Paarlen voor de zwijnen gooien.
7
't Varken is op een oor na gevild. 
8
Als 't varken zat is, gooit het de bak om. 
9
Zo dom als het achtereind van een varken 
10
Biggen worden ook zwijnen. 
11
Zij gaan als zwijnen aan de bak.
12
Dat slaat als een tang op een varken.
13
Eten als een varken
14
We zullen het varkentje wel even wassen. 
15
Tussen zwijn en big zijn

varkens en zwijnen

Wat betekenen de spreekwoorden en uitdrukkingen?

1
't Varken is op een oor na gevild. 
2
Hij zwijnde bij die bal. 
3
Zij gaan als zwijnen aan de bak.
4
Als 't varken zat is, gooit het de bak om. 
5
Paarlen voor de zwijnen
6
Biggen worden ook zwijnen. 
7
Een varken heeft wel een krul in zijn staart. 
8
Veel varkens maken de spoeling dun.
9
Tussen zwijn en big zijn
10
Dat slaat als een tang op een varken.
11
Eten als een varken
12
We zullen het varkentje wel even wassen. 
13
Schreeuwen als een mager speenvarken
14
De een scheert schapen, de ander varkens.
15
Zo dom als het achtereind van een varken 

Vaste voorzetsels bij werkwoorden

Welk voorzetsel moet hier ingevuld woorden?

1
Hij heeft een hekel ..... huiswerk maken.
2
Kan jij je wel goed concentreren ..... je werk?
3
Ik moet altijd lachen ..... zijn opmerkingen.
4
Waar ben jij bang ..... ?
5
Je moet je schamen ..... die opmerking.
6
Luister jij nog veel ..... de radio?
7
Wil jij wel kennismaken ..... je schoonouders?
8
Ga jij je nog inschrijven ..... die nieuwe cursus?
9
Ik moet dat geld nog overmaken .....zijn rekening.
10
Zal hij nog meedoen ..... de Olympische Spelen?
11
Ik ben benieuwd hoe zij reageert ..... de nieuwe voorstellen.
12
Het is heel makkelijk om daar kritiek ..... te hebben.
13
Hij schijnt daar nogal wat invloed ..... te hebben.
14
Tijdens de lockdown houdt niet iedereen zich ..... de regels.
15
Ik moet haar nog feliciteren ..... haar verjaardag.