Bijwoorden

Bijwoorden zeggen iets van:

– Een werkwoord: Hij fiets hard. Zij zit binnen.

– Een bijvoeglijk naamwoord: Dat is een erg leuk hondje. Dat is een goed uitgewerkt plan.

– Een ander bijwoord: Hij wandelt heel snel. Zij praat erg zacht.

Bijwoorden geven vaak een plaats (daar, nergens), tijd (nu, soms) of graad aan (heel, erg).

Vaak beginnen vragen met bijwoorden (waar, wanneer, waarom hoe enz.).

Sommige bijwoorden kunnen gesplitst worden: Daarop wacht ik niet. – Daar wacht ik niet op.

Zie ook Onze Taal


Oefening

Welke gekleurde woorden zijn bijwoorden in de volgende zinnen?

1. 
Waarom groeit daar niets?
2. 
Dat vind ik een heel erg goed voorstel.
3. 
Daar doe ik het mee.
4. 
Wanneer wordt hier iets aan gedaan?
5. 
Ook elders vond hij zijn geluk niet.
6. 
Gisteren begon het plotseling te onweren.
7. 
Politici hebben vaak een erg zwaar bestaan.
8. 
Waar heb je die ontzettend mooie foto gemaakt?
9. 
Daar gebeuren nog steeds te veel ongelukken.
10. 
Dat doet hij nu niet.

Voorzetsels

Voorzetsels  staan aan het begin van een zinsdeel met een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord: Zij praten over de situatie in Europa. 
Als zowel voor als na een zelfstandig naamwoord een voorzetsel staat, spreek je van een voorzetselverbinding: in aanraking met, ter beschikking van.

Welke voorzetsels moeten er ingevuld worden? (Hou de volgorde van de zin aan.)

1. 
... het oog ... onze vakantie sloten we een verzekering af.
2. 
Hij zat ... de handen ... het haar.
3. 
De bijeenkomst vond plaats ... aanwezigheid ... prinses Amalia.
4. 
... medeweten ... zijn zus leende hij de laptop.
5. 
... behulp ... archeologisch onderzoek heeft men een ongeschonden tempel uit de Romeinse tijd gevonden.
6. 
... aansluiting ... het concert was er een after party.
7. 
... grond ... een artikel in de APV werd de bijeenkomst verboden.
8. 
... opzichte ...de vorige ontmoeting  was het dit keer veel gezelliger.
9. 
... basis ... de verstrekte gegevens werd hij toegelaten
10. 
Niets ...nadele ... Nederlands, maar Engels is een veel invloedrijkere taal.

Naamwoorden

Voor een zelfstandig naamwoord kan je altijd een lidwoord (de- of het-woorden) of die of dat zetten. Dat hondje wordt weer beter. De volgende vakantie ga ik er weer naar toe.

Bijzondere zelfstandige naamwoorden zijn eigennamen: Fred, Claudia, Bervoets, Aldi, Oekraïne, Azië en Mont Blanc.

Infinitieven (hele werkwoorden) kunnen voorkomen als zelfstandige naamwoorden. Werken is voor hem niet vanzelfsprekend. Het werken is ....

Bijvoeglijke naamwoorden noemen een eigenschap van een zelfstandig naamwoord: Lange Jan, moeilijk vraagstuk, mooi weer enz.

Een bijvoeglijk naamwoord staat niet altijd vlak voor een zelfstandig naamwoord. Het maakt dan deel uit van het naamwoordelijke deel van het gezegde.
Ik word zenuwachtig van je opmerkingen. zenuwachtig= naamwoordelijk deel van het gezegde en bijvoeglijk naamwoord.
Voor toeristen is Amsterdam nog steeds aantrekkelijk. Aantrekkelijk = naamwoordelijk deel van het gezegde en bijvoeglijk naamwoord.

Oefening

Zijn de gekleurde woorden zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord of een andere woordsoort?

1. 
Een poedel is een intelligente hond.
2. 
Langlaufen is een vermoeiende sport.
3. 
In het donkere, duistere dennenbos loopt een hert.
4. 
Ik zag Gerard lopen in de drukke winkelstraat
5. 
Dat lijkt me een spannend boek.
6. 
Deze leraar heeft een enge, harde stem.
7. 
Lopen is voor hem niet zo makkelijk.
8. 
Wij rijden deze zomer veel kilometers.
9. 
Deze matrassen zijn van een slechtere kwaliteit.
10. 
Wij hebben een bijzonder leuk hondje gekocht.

Werkwoorden

Als er twee of meer werkwoorden in een zin staan, is één van de werkwoorden een koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord de rest is hulpwerkwoord. De persoonsvorm is altijd hulpwerkwoord. Hulpwerkwoorden vormen nooit alleen het gezegde. Je kunt ze in een zin weglaten terwijl je van de rest van de woorden een volledige zin kan maken.

We onderscheiden de volgende hulpwerkwoorden:

1. Hulpwerkwoorden van tijd: hebben, zijn en zullen.
Hebben en zijn gebruik je om de voltooide tijd te maken. => Hij heeft de tocht gereden (vtt).; Hij was al geschoren (vvt). Zullen gebruik je om de toekomende tijd maken.=> Hij zal het zeker doen (ottt).

2. Hulpwerkwoorden die de lijdende vorm helpen vormen: worden en zijn. Jij wordt door de penningmeester ingelicht. Ik ben door haar op de hoogte gebracht.

3. Overige hulpwerkwoorden: kunnenmogenmoetenwillen, gaan, laten enz..
Hij kan morgen ook komen. Hij moet nog een paar pakjes wegbrengen. Zij laat dat nog onderzoeken.

Benoem de gekleurde werkwoorden. Hulpwerkwoorden zijn groen en zelfstandige of koppelwerkwoorden rood.

1. 
Hij wil dat vaker eten.
2. 
Zullen we het nog een keer doen?
3. 
Zij kan doof zijn.
4. 
Zij heeft mooie gedichten gemaakt.
5. 
Hij heeft zijn beste tijd als tennisser al gehad.
6. 
Wil jij dat ook?
7. 
Het rapport wordt geschreven door een beleidsmedewerker.
8. 
U bent door die man bedrogen.
9. 
Maanden later is ze toch weggelopen.
10. 
Je mag bijna nergens meer roken.

Opdrachten Schrijverke

     O Krinklende winklende waterding
     met ‘t zwarte kabotseken aan,
     wat zien ik toch geren uw kopke flink
     al schrijven op ‘t waterke gaan!
5   Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
     al zie ‘k u noch arrem noch been;
     gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
     al zie ‘k u geen ooge, geen één.
     Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
10 Verklaar het en zeg het mij, toe!
     Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
     dat nimmer van schrijven zijt moe?
     Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
     en ‘t water niet meer en verroert
15 dan of het een gladdige windtje waar,
     dat stille over ‘t waterke voert.
     o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, –
     met twintigen zijt gij en meer,
     en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: –
20 Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
     Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
     gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
     geen christen en weet er wat dat bediedt:
     och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
25 Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
     Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
     Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
     of ‘t water, waarop dat ge drijft?
     Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
30 of is ‘et het blauwe gewelf,
     dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
     of is het u, schrijverken zelf?
     En t krinklende winklende waterding,
     met ‘t zwarte kapoteken aan,
35 het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
     en ‘t bleef daar een stondeke staan:
     “Wij schrijven,” zoo sprak het, “al krinklen af
     het gene onze Meester, weleer,
     ons makend en leerend, te schrijven gaf,
40 één lesse, niet min nochte meer;
     wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
     niet lezen, en zijt gij zo bot?
     Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
     den heiligen Name van God!”

Vlaemsche Dichtoefeningen (1858)

 

Lees en beluister het gedicht.
Probeer daarna de vragen te beantwoorden.

1. 
Versvormen 1
Uit hoeveel kwatrijnen is het gedicht opgebouwd?
2. 
Versvormen 2
Wat is het rijmschema van de eerste acht versregels?
3. 
Rijm 1
Van wat voor rijm maakt Gezelle gebruik in versregel 1?
O Krinklende winklende.....
4. 
Rijm 2
Waar maakt Gezelle gebruik van in versregel 7?
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel
5. 
Stijlfiguren

Welke stijlfiguur wordt er gebruikt in de versregels 25 - 28?

Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,

6. 
Beeldspraak 1

Schrijvertjes (Gyrinidae) zijn kevers die leven op en in het water. Ze bewegen snel over  het wateroppervlak.
Wat voor beeldspraak gebruikt Gezelle als hij de kevers aanduidt als schrijverkes?

7. 
Beeldspraak 2
Wat voor beeldspraak gebruikt Gezelle in versregel 30?
of is ‘et het blauwe gewelf
8. 
Interpretatie

Waarom maakt Gezelle veel gebruik van verkleinwoorden (schrijverke, oorkes, stondeke,..) en personificaties (het schrijverke praat, draagt een kabotseken,...)?

9. 
Literaire stroming
Tot welke literaire stroming kan je gedicht rekenen?
10. 
Themathiek
Wat is het belangrijkste thema in het gedicht?

Het

Het woord het

Het kan zijn:

  • Lidwoord
    Het hoort dan bij een zelfstandig naamwoord.
    Het huis gaat gebouwd worden. Het = lidwoord (hoort bij huis)
  • Persoonlijk voornaamwoord
    In dit geval is het te vervangen door dat, het ding of de zaak.
    Hij kan het wel een probleem vinden. Het is te vervangen door dat of de zaak => persoonlijk voornaamwoord
  • Onbepaald voornaamwoord
    Het
    regent/waait/miezert al de hele middag. Het => onbepaald voornaamwoord (Zie ook DBNL)

De eerste beatgroep van Nederland: HET

Wat voor voornaamwoord is het gekleurde woord het?

1. 
Het is weer tijd om op te staan.
2. 
Het wordt buiten al een beetje schemerig.
3. 
Het kan nog wel even duren.
4. 
Ik kan me niet voorstellen dat zij het niet kan waarderen.
5. 
Het boek heb ik op het nachtkastje laten liggen.
6. 
Ik zeg het opdat je er wat van leert.
7. 
Het mist nu al de hele morgen.
8. 
Het meisje kwam wel vaker te laat.
9. 
Het spijt me zeer, maar ik kan niet komen.
10. 
Het boek heb ik op het nachtkastje laten liggen.
11. 
Bonusvraag
De beatgroep Het introduceerde de popartsound.

Opdrachten Melopee

Melopee

Voor Gaston Burssens

 

Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee

Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee

 

Uit: Verzameld Werk, poëzie 2 (1928)

1. 
Versvormen
Wat voor een gedicht is dit?
2. 
Stijlmiddelen
Van welk stijlmiddel maakt hij in de eerste strofe veel gebruik?
3. 
Rijm
Van wat voor een soort rijm wordt in de laatste twee regels veel gebruik gemaakt?
4. 
Interpretatie

Het gedicht eindigt met de vraag:

Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee

Waar is Van Ostayen waarschijnlijk mee bezig?

5. 
Interpretatie
Als je het gedicht leest als een beschrijving van het leven van Van Ostaijen, hoe moet je dan de tegenstelling laag en hoog  (regel 4 en 5) interpreteren?
6. 
Interpretatie
Op het einde is er twijfel en de waarom-vraag.  Waarom is er geen verzet, geen opstand tegen deze voortgang van het leven?
7. 
Interpretatie

Melopee (de titel) betekent ritmisch gezang Waarom heeft hij deze titel gekozen?

Die, dat, deze, dit, wie en wat

Die, dat, deze, dit, wie en wat: vragend, aanwijzend of betrekkelijke voornaamwoord?

We noemen die, dat, wie en wat betrekkelijke voornaamwoorden als ze verwijzen naar een voorafgaand zinsdeel (het antecedent).
- Het meisje dat naast je woont heet Coco. Dat = betrekkelijk voornaamwoord; het meisje = antecedent
- Alles wat je me vertelt, neem ik met een korreltje zout. Wat = betrekkelijk voornaamwoord; alles = antecedent
Bij wat kan het antecedent ook een hele zin zijn.
- Hij is gisteren vijftig geworden, wat niemand wil geloven. Hij is vijftig geworden = antecedent. In dit soort zinnen is wat te vervangen door en dat.
Hij is gisteren vijftig geworden, en dat wil niemand geloven.

Als bij wie en wat het antecedent soms ontbreekt, spreken we van een ingesloten antecedent. Je kunt ze vervangen door degene die of  dat wat
- Wat hij zegt, is onzin. (wat = dat wat)

- Wie het weet, mag het zeggen. ( wie = degene die)

Als je die en dat kunt vervangen door deze en dit zijn het aanwijzende voornaamwoorden.
- Die leuke jongen woont naast ons.=> Deze leuke jongen woont naast ons. => aanwijzend voornaamwoord
- Ik vind dat een naar verhaal. Ik vind dit een naar verhaal. => aanwijzend voornaamwoord

De vragende voornaamwoorden wie en wat verwijzen nooit naar een antecedent in dezelfde zin.
- De vrouw aan wie hij het vroeg, wist het niet. Wie verwijst hier naar ‘de vrouw’= betrekkelijk voornaamwoord: de vrouw = antecedent
- Wat zal ik eens zeggen? Wie verwijst niet naar een antecedent en is vragend voornaamwoord

Wat voor een een voornaamwoord wordt in de volgende zinnen gebruikt?

1. 
Wat vertel je me nu weer voor een onzin.
2. 
Wie de eertse prijs wint, kan een jaar gratis naar Ajax
3. 
Na lang zoeken vond de commissie wat ze zochten.
4. 
Door de pandemie kon het festival niet doorgaan, wat een enorme tegenvaller vonden.
5. 
Wie is dat nieuwe gezicht?
6. 
Angela is het meisje met wie hij verkering heeft.
7. 
Dat is wel het laatste wat ik wil.
8. 
Dat iets wat ik niet verwachtte.
9. 
Met wie ga je dat werkstuk maken?
10. 
Dat is mijn nieuwe buurmeisje.
11. 
Wie gaat indeze zaak de leiding nemen.
12. 
Die heb ik niet eerder gezien.

'Scheldwoorden'

Wat is de betekenis van de woorden?

 

1. 
janjurk
2. 
flapdrol 
3. 
snol 
4. 
jankebalk
5. 
loeder
6. 
lichtekooi 
7. 
patjakker
8. 
branieschopper 
9. 
plebejer
10. 
kwezel 
11. 
farizeeër
12. 
kniesoor
13. 
pias 
14. 
jandoedel

Opdrachten Dapperstraat

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.


J.C. Bloem 
1. 
Versvormen 1

Wat voor een soort gedicht is dit? (Zie: versvormen)
2. 
Versvormen 2
Waar kan je hier een wending (chute) aanwijzen?
3. 
Rijm 1

Met wat voor een rijm hebben we te maken in:
r.1 tevredenen en legen en r.5 stedelijke wegen 
Zie:
RIJM

4. 
Rijm 2

Met wat voor een rijm hebben we te maken in:
r.8 langs de lucht, r.13 miezerige morgen en r. 14 Domweg Dapperstraat
Zie: RIJM

5. 
Stijlfiguren 1
Met wat voor een stijlmiddel hebben we te maken in regel 10 en 11:
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.
Zie: Stijlfiguren
6. 
Stijlfiguren 2
Met wat voor een stijlmiddel hebben we te maken in regel 2:
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Zie: Stijlfiguren
7. 
Interpretatie 1
In de eerste twee strofen vormen natuur en de stad een tegenstelling. Wat heeft de voorkeur van Bloem?
8. 
Interpretatie 2
Bekijk de vormgeving van de pagina met het gedicht en filmpje.
Waarom zullen de makers zoveel grijs gebruiken?
9. 
Stroming
Tot welke literaire stroming moeten we dit gedicht (van J.C. Bloem) rekenen?
10. 
Thematiek
Wat is hier het thema?